Skip to content
Jeroen&Evita
Vaka
← Terug naar reisoverzicht← Back to trip overview IJslandIceland · 2022

VakaVaka

Over vuur, ijs en het ritme van de leegteOn fire, ice, and the rhythm of emptiness

SoundtrackSoundtrack · IJslandIJsland
Popplagið door Sigur Rós by Sigur Rós
0:00—:—

Een bucketlist-wens die we eindelijk afstreepten: IJsland. We boekten een rondreis met huurauto en vlogen op 8 september van Schiphol naar Keflavík. Daar pikten we onze auto op — een Dacia, prima. Sommigen zeggen dat er op IJsland net zoveel Dacia's als schapen zijn.

Aankomst met een Whiskey Sour

We kwamen 's avonds aan in Hveragerði, waar we wat rondwandelden, het water met kleine watervalletjes bekeken en in een café neerstreken. Jeroen dronk er een Whiskey Sour die tot op de dag van vandaag onovertreffen is. Het duurde ook twintig minuten voor hij op de bar stond, maar dan heb je ook wat. Omdat we onze dagen zouden afwisselen tussen rijden en bezienswaardigheden, gingen we vroeg slapen.

De Golden Circle: Þingvellir, Geysir en Gullfoss

Na het ontbijt reden we naar Þingvellir National Park. Het weer zat helaas niet mee — fijne motregen — maar het gebied is indrukwekkend met zijn ruige rotspartijen. 's Middags reden we door naar Geysir, een ruim opgezet gebied vol stomende geisers. Op de roodbruine grond zie je precies waar het water heen spuit, en toch staan er steeds weer mensen die verrast zijn dat ze nat worden. We lunchten in het bezoekerscentrum van het gebied. We namen een werkelijk heerlijke tomatensoep die ons opwarmde voor we verder reden naar de Gullfoss-waterval. Indrukwekkend hoeveel water hier naar beneden stort.

We sliepen in Reykholt en sloten de dag af in een hottub.

Seljalandsfoss en de legende van Skógafoss

De volgende dag begonnen we vroeg met de Seljalandsfoss-waterval. Bij aankomst was het er nog rustig en je kunt achter deze waterval doorlopen. Of net als Justin Bieber zonder enige reden rennend. Daarna reden we naar Skógafoss. Alweer een waterval, maar niet zo maar eentje.

Skógafoss is een van de grootste watervallen van het land, met een breedte van 25 meter en een val van 60 meter. Door de hoeveelheid nevel die de waterval voortdurend produceert, is er op zonnige dagen meestal een enkele of dubbele regenboog zichtbaar. Bezoekers kunnen kletsnat worden als ze te dicht bij de waterval komen, opnieuw door de nevel.

Volgens de legende begroef de eerste Vikingkolonist in dit gebied, Þrasi Þórólfsson, een schat in een grot achter de waterval. Het verhaal gaat verder dat bewoners jaren later de kist vonden, maar alleen de ring aan de zijkant konden vastpakken voordat deze weer verdween. De ring zou vervolgens aan de plaatselijke kerk zijn gegeven.

Het vliegtuigwrak op zwart zand

We reden door naar het Sólheimasandur-vliegtuigwrak op het zwarte zandstrand. Vanaf de parkeerplaats brengt een bus met absurd grote banden je naar het wrak. Het is bizar om te zien wat ervan over is, en even bizar hoeveel mensen het nodig vinden hun stempel achter te laten door op het wrak te krassen of tekenen. Ook dat zwarte zandstrand is van een andere wereld; we wandelden erover, om het wrak heen en erin.

Dyrhólaey en de Eldhraun-lavavelden

Vanaf Sólheimasandur reden we naar Dyrhólaey, het zuidelijkste puntje van IJsland. Vroeger was het een eiland, nu niet meer. Door klimaatverandering is de verwachting dat het strand op termijn verdwijnt. We genoten van de ruwe kustlijn en de uitzichten over zee en het groene landschap. Via Vík reden we naar de Eldhraun-lavavelden. We wandelden er een stukje doorheen en voelden voorzichtig: alle laagjes mos boven op elkaar geven een vervreemd, sponzig gevoel — extra surrealistisch zo vlak naast de weg.

De mossige kloof van Fjaðrárgljúfur

Aan het einde van de dag arriveerden we in Kirkjubæjarklaustur. We besloten de volgende ochtend niet meteen door te rijden, maar eerst nog naar Fjaðrárgljúfur te gaan — een kloof van zo’n twee kilometer lang en tot honderd meter diep, uitgesleten door smeltwater aan het einde van de laatste ijstijd. Het is een landschap dat bijna te perfect voelt: zachte, met mos bedekte wanden die in sierlijke bochten langs een smalle rivier naar beneden vallen.

Vanaf verschillende uitkijkplatforms (waar ik niet per se fan van ben) ontvouwt de kloof zich in lagen en lijnen, alsof het landschap zichzelf langzaam prijsgeeft. Het water beneden slingert rustig door het dal en versterkt dat gevoel van beweging, alsof alles hier nog steeds in wording is.

Er heerste een stilte die alleen doorbroken werd door de wind en het water. Pas veel later kwamen we erachter dat Justin Bieber hier een clip heeft opgenomen. Daarna explodeerde de populariteit van de kloof: waar het vóór 2015 nog relatief onbekend was, stroomden er ineens honderdduizenden bezoekers per jaar naartoe. Met mensen die natuurlijk zo nodig buiten de paden moesten liepen en het kwetsbare mos beschadigden. Uiteindelijk werd de canyon zelfs meerdere keren tijdelijk gesloten, onder andere in 2018 en 2019, om de natuur de kans te geven te herstellen.

Wij deelden de plek vooral met de schapen.

Jeroen liet hier de drone op omdat dit gebied nu eens niet midden in een no-fly zone lag, en natuurlijk vooral omdat het er werkelijk prachtig was.

Skaftafell en lopen op een gletsjer

Daarna pakten we de geplande route weer op. Via Austurland reden we naar Skaftafell, waar je na een mooie wandeling een waterval ook van bovenaf kunt bekijken. Aan de andere kant van het gebied ligt een gletsjer. We maakten er nog een wandeling en konden onze ogen niet geloven: over het ijs lopen tot aan de voet van de gletsjer. Inmiddels was het stralend weer, dus we liepen in de zon door dit landschap.

Het gletsjermeer Jökulsárlón

We reden door naar Hundafoss, een wat verstoptere maar minstens zo mooie waterval. Hier sta je bovenop en zie je het water vlakbij naar beneden storten. Via Svartifoss kwamen we bij Jökulsárlón: een enorm gletsjermeer tussen twee nationale parken in. Op het meer drijven ijsschotsen rond, en mensen kanoën ertussendoor. We zagen zelfs een zeehond tussen de ijsschotsen en de bootjes door zwemmen.

Eigen koers via Möðrudalur

We sliepen in Breiðdalsvík, waar we volgens de planning twee nachten zouden blijven. We snapten daar zelf weinig van: er was aanzienlijk minder te doen, alle winkels en restaurants waren dicht en wij wilden veel liever meer van het land zien. We besloten de volgende ochtend door te rijden en zelf een extra stop te plannen: Möðrudalur, een boerennederzetting waar de gebouwtjes wel iets weg hebben van hobbithuisjes. Terwijl we daar in de zon zaten, zagen we plotseling twee vosjes. Het bleken nieuwsgierige babyvossen die door de eigenaren werden bijgevoerd.

Dettifoss en walvissen kijken in Húsavík

Daarna door naar Dettifoss: 44 meter hoog en 100 meter breed, een van de krachtigste watervallen van Europa. We sliepen in Hotel Skúlagarður — middle of nowhere, maar dichtbij Húsavík, waar we de volgende dag walvissen wilden gaan kijken.

Helaas was de zee daar bizar ruw. Dat zorgde voor een hele belevenis in onze felle oranje regenjassen, maar ook voor walvissen die we alleen op grote afstand zagen. Eigenlijk herkenden we ze pas aan de staartvin op het moment dat ze dook. Jammer.

Mývatn en Goðafoss

We reden door naar Mývatn, een groot meer in vulkanisch gebied. Overal zijn kleine geisers, dus het is er aangenaam warm. Een prachtig ruw landschap. Om de dag af te sluiten bezochten we Goðafoss — ja, alweer een waterval. Een van de grootste van IJsland, en hoewel het inmiddels niet onze eerste was, blijft het indrukwekkend.

Akureyri: walvissen én noorderlicht

Aan het einde van de dag arriveerden we in Akureyri. Het was zulk mooi weer dat de jassen uit konden. We sliepen boven een café in een drukkere straat — even schakelen na alle rust en stilte, maar de zon maakte veel goed. We wandelden naar de haven, want wie weet kon daar nog een walvistocht bij. En inderdaad: er was nog plek voor het einde van de dag. Terwijl we boekten zagen we dat hetzelfde bedrijf ook noorderlichttochten organiseerde. De medewerker belde meteen de gids, die zei dat er onverwacht een kans was dat we het zouden zien. Met zoveel mazzel met het weer en de walvistocht besloten we ook deze gok te wagen. Spannend.

We dronken nog een drankje en stapten toen aan boord. Al snel zagen we in de baai een walvispaar samen zwemmen — we volgden ze een tijdje, met de zon op ons gezicht. Terug bij het hotel haalden we eten bij een foodtruck. We legden onze spullen neer en merkten meteen dat de kamer behoorlijk gehorig was. Niet erg: we werden zo opgehaald.

Het noorderlicht danst

We wandelden naar een donker straatje waar de bus stond. Onderweg meende ik in de verte al noorderlicht te zien. Wishful thinking, waarschijnlijk. Maar we hielden hoop.

We moesten nog een flink stuk rijden en sloegen op een gegeven moment van de hoofdweg af, allerlei landweggetjes op, met zo min mogelijk omgevingslicht. Na een hele tijd stopte het busje en mochten we uitstappen. Ik stapte rechts uit, keek naar links en zag meteen iets waar ik even niets van begreep: groen noorderlicht dat zich in lange, sierlijke slingers door de lucht bewoog. Adembenemend. Ontzettend lastig om vast te leggen, en ontzettend koud, maar wij genoten met volle teugen. Toen we al een tijdje stonden te kijken werden we ook nog getrakteerd op paars en wit licht — en het danste. Een fenomeen dat je niet altijd ziet, maar dat je nooit meer vergeet. Akureyri was ons goedgezind.

Snæfellsnes en een Sigur Rós-knipoog

We reden via Laugarbakki naar Laugarholt, waar we IJslandse paarden zagen. Vandaaruit verder naar Straumsfell met uitzicht op een gletsjermeer. Daarna Stykkishólmur, een vissersplaatsje op het schiereiland Snæfellsnes. We wandelden door de haven, kochten souvenirs, dronken koffie en doolden wat door het dorp. We zagen kinderen op een hoppípolla — oftewel een springkussen. Jeroen wist dit, want het is een nummer van zijn favoriete IJslandse band Sigur Rós.

Arnarstapi, Djúpalónssandur en Hraunfossar

De volgende dag reden we via Arnarstapi (waar we langs de kust met hoge rotsen wandelden) naar Djúpalónssandur. Ook hier ligt zwart zand, en dat blijft bijzonder. We daalden af en wandelden over het strand. De rotsen waren hier niet alleen zwart, maar hadden ook een rood-oranje gloed. 's Middags reden we door naar Hraunfossar: over een lengte van 900 meter zie je hier talloze kleine watervalletjes. Het water is ijsblauw en samen met al die stroompjes geeft dat een bijzonder beeld. Vlakbij ligt Barnafossar, waar het water door een nauwe kloof wordt geperst en daardoor met enorm geweld naar beneden stort. We sloten de dag af in Borgarnes, waar we aan het water aten en nog wat rondwandelden.

Reykjavík op een zondag

De laatste dagen waren voor Reykjavík. We baalden er een beetje van dat we juist op een zondag aankwamen — de reisorganisatie had daar wat ons betreft niet handig over nagedacht. Op zondag is in Reykjavík vrijwel alles dicht.

In Reykjavík gingen we eerst naar het centrum. We bekeken de haven met het imposante concertgebouw Harpa, een glazen gebouw dat door de vorm van het glas en de zonnestralen oplichtte in alle kleuren van de regenboog. We wandelden over de boulevard en door de haven, langs sauna's op het water en de aanbieders van walvistochten. Aan het begin van onze reis hadden we erover gedacht hier zo'n tocht te boeken, maar door de ruwe zee waren alle tochten geannuleerd.

We bezochten natuurlijk de Hallgrímskirkja, een imposant bouwwerk van zowel binnen als buiten — een kerk in deze bouwstijl hadden we nog nooit gezien. We wandelden verder, maar zoals gezegd: het meeste was gesloten. In één winkelstraat waren een paar zaken open zodat we wat souvenirs konden meenemen. Tegen het einde van de middag werd het bewolkt en we besloten terug naar het hotel te gaan. We aten in een restaurant bij het hotel en pakten onze koffers in. De volgende ochtend moesten we vroeg de auto inleveren voor onze vlucht naar huis.

Tot ziens, IJsland

IJsland is een land om ooit naar terug te gaan. Jeroen kan niet wachten om het een keer in de winter te fotograferen.

A bucket-list wish we finally checked off: Iceland. We booked a round trip with a rental car and flew from Schiphol to Keflavík on September 8. There we picked up our car — a Dacia, nothing fancy. Some say there are as many Dacias in Iceland as there are sheep.

Arrival with a Whiskey Sour

We arrived in the evening in Hveragerði, where we walked around a bit, admired the water with its small waterfalls, and settled into a café. Jeroen had a Whiskey Sour there that remains unmatched to this day. It also took twenty minutes to reach the bar, but then you get what you pay for. Since we planned to alternate our days between driving and sightseeing, we went to bed early.

The Golden Circle: Þingvellir, Geysir, and Gullfoss

After breakfast, we drove to Þingvellir National Park. The weather wasn't cooperating — a light drizzle — but the area is impressive with its rugged rock formations. In the afternoon, we drove on to Geysir, a sprawling area full of steaming geysers. On the reddish-brown ground, you can see exactly where the water shoots up, and yet people keep standing there surprised when they get wet. We had lunch at the area's visitor center. We enjoyed a truly delicious tomato soup that warmed us before we drove on to Gullfoss waterfall. It's impressive how much water plunges down here.

We slept in Reykholt and ended the day in a hot tub.

Seljalandsfoss and the Legend of Skógafoss

The next day we started early with Seljalandsfoss waterfall. When we arrived, it was still quiet, and you can walk behind this waterfall. Or, like Justin Bieber for some inexplicable reason, run through it. Then we drove to Skógafoss. Another waterfall, but not just any waterfall.

Skógafoss is one of the largest waterfalls in the country, 25 meters wide with a drop of 60 meters. Because of the amount of mist the waterfall continuously produces, there's usually a single or double rainbow visible on sunny days. Visitors can get soaked if they get too close to the waterfall, again because of the mist.

According to legend, Þrasi Þórólfsson, the first Viking settler in this area, buried a treasure in a cave behind the waterfall. The story goes that residents found the chest years later, but could only grab the ring on the side before it vanished again. The ring was supposedly later given to the local church.

The Airplane Wreck on Black Sand

We drove to the Sólheimasandur airplane wreck on the black sand beach. From the parking lot, a bus with absurdly large tires takes you to the wreck. It's bizarre to see what's left of it, and equally bizarre how many people feel the need to leave their mark by scratching or drawing on the wreck. That black sand beach is from another world too; we walked across it, around the wreck, and through it.

Dyrhólaey and the Eldhraun Lava Fields

From Sólheimasandur, we drove to Dyrhólaey, Iceland's southernmost point. It used to be an island, but not anymore. With climate change, the expectation is that the beach will eventually disappear. We enjoyed the rugged coastline and the views over the sea and green landscape. Via Vík, we drove to the Eldhraun lava fields. We walked through a section of it and felt gently: all the layers of moss stacked on top of each other give a strange, spongy feeling — extra surreal so close to the road.

The Mossy Canyon of Fjaðrárgljúfur

At the end of the day, we arrived in Kirkjubæjarklaustur. We decided not to drive on the next morning but first visit Fjaðrárgljúfur — a canyon about two kilometers long and up to one hundred meters deep, carved out by glacial meltwater at the end of the last ice age. It's a landscape that almost feels too perfect: soft, moss-covered walls that wind in elegant curves down along a narrow river.

From different viewing platforms (which I'm not necessarily a fan of), the canyon unfolds in layers and lines, as if the landscape slowly reveals itself. The water below winds gently through the valley, reinforcing that sense of motion, as if everything here is still in the making.

A silence prevailed, broken only by the wind and the water. It wasn't until much later that we discovered Justin Bieber had shot a music video here. After that, the canyon's popularity exploded: where it had been relatively unknown before 2015, suddenly hundreds of thousands of visitors streamed there every year. People who, of course, had to walk off the paths and damaged the fragile moss. Eventually, the canyon was even temporarily closed several times, including in 2018 and 2019, to give nature a chance to recover.

We mostly shared the place with the sheep.

Jeroen sent his drone up here because this area wasn't in the middle of a no-fly zone for once, and of course mainly because it was truly beautiful.

Skaftafell and Walking on a Glacier

After that, we continued with our planned route. Via Austurland, we drove to Skaftafell, where after a beautiful walk you can also view a waterfall from above. On the other side of the area is a glacier. We took another walk and could hardly believe our eyes: walking across the ice all the way to the foot of the glacier. By now the weather was brilliant, so we walked in the sun through this landscape.

The Glacier Lake Jökulsárlón

We drove on to Hundafoss, a somewhat hidden but no less beautiful waterfall. Here you stand at the top and see the water plunge down nearby. Via Svartifoss, we came to Jökulsárlón: an enormous glacier lake between two national parks. Ice floes drift on the lake, and people canoe between them. We even saw a seal swimming among the ice floes and boats.

Our Own Route via Möðrudalur

We slept in Breiðdalsvík, where according to the plan we were supposed to stay for two nights. We didn't understand that ourselves: there was considerably less to do, all shops and restaurants were closed, and we much preferred to see more of the country. We decided to drive on the next morning and plan our own extra stop: Möðrudalur, a farm settlement where the buildings looked somewhat like hobbit houses. While we sat in the sun there, we suddenly saw two foxes. They turned out to be curious baby foxes being fed by the owners.

Dettifoss and Whale Watching in Húsavík

Then on to Dettifoss: 44 meters high and 100 meters wide, one of Europe's most powerful waterfalls. We slept at Hotel Skúlagarður — middle of nowhere, but near Húsavík, where the next day we wanted to go whale watching.

Unfortunately, the sea there was bizarrely rough. That made for quite an experience in our bright orange rain jackets, but also meant we only saw whales from a great distance. We actually only recognized them by their tail flukes when they dove. A shame.

Mývatn and Goðafoss

We drove to Mývatn, a large lake in a volcanic area. There are small geysers everywhere, so it's pleasantly warm. A beautiful, rugged landscape. To end the day, we visited Goðafoss — yes, another waterfall. One of Iceland's largest, and although it was no longer our first, it remains impressive.

Akureyri: Whales and Northern Lights

At the end of the day, we arrived in Akureyri. The weather was so beautiful that we could put our jackets away. We slept above a café on a busy street — a change of pace after all the tranquility and silence, but the sun made up for a lot. We walked to the harbor, because who knows if there might be one more whale-watching tour. And indeed: there was still space for the end of the day. While we were booking, we saw that the same company also organized northern lights tours. The employee called the guide right away, who said there was an unexpected chance we might see them. With such luck with the weather and the whale tour, we decided to take this gamble too. Exciting.

We had a drink and then boarded. Soon we saw a whale pair swimming together in the bay — we followed them for a while, the sun on our faces. Back at the hotel, we grabbed food from a food truck. We put our things down and immediately noticed the room was quite noisy. No matter: we were being picked up anyway.

The Northern Lights Dance

We walked to a dark street where the bus was parked. Along the way, I thought I could see northern lights in the distance. Wishful thinking, probably. But we held on to hope.

We had to drive quite a ways and at one point turned off the main road onto various dirt roads with as little ambient light as possible. After a long time, the bus stopped and we were allowed to get out. I stepped out on the right, looked to the left, and immediately saw something I couldn't make sense of for a moment: green northern lights that moved in long, elegant ribbons through the sky. Breathtaking. Incredibly difficult to capture, and incredibly cold, but we enjoyed it with full hearts. When we'd been watching for a while, we were also treated to purple and white light — and it danced. A phenomenon you don't always see, but that you never forget. Akureyri was on our side.

Snæfellsnes and a Sigur Rós Nod

We drove via Laugarbakki to Laugarholt, where we saw Icelandic horses. From there, on to Straumsfell with a view of a glacier lake. Then Stykkishólmur, a fishing village on the Snæfellsnes peninsula. We walked through the harbor, bought souvenirs, had coffee, and wandered through the village. We saw children on a hoppípolla — in other words, a bouncy castle. Jeroen knew this because it's a song by his favorite Icelandic band, Sigur Rós.

Arnarstapi, Djúpalónssandur, and Hraunfossar

The next day we drove via Arnarstapi (where we walked along the coast with tall cliffs) to Djúpalónssandur. Black sand here too, and that remains special. We descended and walked across the beach. The rocks here were not only black but also had a red-orange glow. In the afternoon, we drove to Hraunfossar: over a length of 900 meters, you can see countless small waterfalls here. The water is ice-blue, and together with all these streams, it creates a unique sight. Nearby is Barnafossar, where the water is pressed through a narrow gorge and thus plunges down with tremendous force. We ended the day in Borgarnes, where we ate by the water and wandered around a bit more.

Reykjavík on a Sunday

The last days were for Reykjavík. We were a bit disappointed that we arrived on a Sunday — the travel organizer hadn't thought that through very well as far as we were concerned. On Sunday, virtually everything in Reykjavík is closed.

In Reykjavík, we first went to the center. We looked at the harbor with the impressive Harpa concert hall, a glass building that lit up in all the colors of the rainbow through the shape of the glass and the sun's rays. We walked along the waterfront and through the harbor, past saunas on the water and whale-watching tour operators. At the beginning of our trip, we had thought about booking such a tour here, but due to the rough sea, all tours had been canceled.

We visited the Hallgrímskirkja, of course, an impressive structure both inside and out — we'd never seen a church in this architectural style before. We continued walking, but as I said: most things were closed. In one shopping street, a few shops were open so we could pick up some souvenirs. Toward the end of the afternoon, it clouded over and we decided to return to the hotel. We ate at a restaurant near the hotel and packed our suitcases. The next morning, we had to return the car early for our flight home.

Goodbye, Iceland

Iceland is a country to return to someday. Jeroen can't wait to photograph it in winter once.

OnderwerpenThemes