Een bucketlist-wens die we eindelijk afstreepten: IJsland. We boekten een rondreis met huurauto en vlogen op 8 september van Schiphol naar Keflavík. Daar pikten we onze auto op — een Dacia, prima. Sommigen zeggen dat er op IJsland net zoveel Dacia's als schapen zijn.
Aankomst met een Whiskey Sour
We kwamen 's avonds aan in Hveragerði, waar we wat rondwandelden, het water met kleine watervalletjes bekeken en in een café neerstreken. Jeroen dronk er een Whiskey Sour die tot op de dag van vandaag onovertreffen is. Het duurde ook twintig minuten voor hij op de bar stond, maar dan heb je ook wat. Omdat we onze dagen zouden afwisselen tussen rijden en bezienswaardigheden, gingen we vroeg slapen.
De Golden Circle: Þingvellir, Geysir en Gullfoss
Na het ontbijt reden we naar Þingvellir National Park. Het weer zat helaas niet mee — fijne motregen — maar het gebied is indrukwekkend met zijn ruige rotspartijen. 's Middags reden we door naar Geysir, een ruim opgezet gebied vol stomende geisers. Op de roodbruine grond zie je precies waar het water heen spuit, en toch staan er steeds weer mensen die verrast zijn dat ze nat worden. We lunchten in het bezoekerscentrum van het gebied. We namen een werkelijk heerlijke tomatensoep die ons opwarmde voor we verder reden naar de Gullfoss-waterval. Indrukwekkend hoeveel water hier naar beneden stort.
We sliepen in Reykholt en sloten de dag af in een hottub.
Seljalandsfoss en de legende van Skógafoss
De volgende dag begonnen we vroeg met de Seljalandsfoss-waterval. Bij aankomst was het er nog rustig en je kunt achter deze waterval doorlopen. Of net als Justin Bieber zonder enige reden rennend. Daarna reden we naar Skógafoss. Alweer een waterval, maar niet zo maar eentje.
Skógafoss is een van de grootste watervallen van het land, met een breedte van 25 meter en een val van 60 meter. Door de hoeveelheid nevel die de waterval voortdurend produceert, is er op zonnige dagen meestal een enkele of dubbele regenboog zichtbaar. Bezoekers kunnen kletsnat worden als ze te dicht bij de waterval komen, opnieuw door de nevel.
Volgens de legende begroef de eerste Vikingkolonist in dit gebied, Þrasi Þórólfsson, een schat in een grot achter de waterval. Het verhaal gaat verder dat bewoners jaren later de kist vonden, maar alleen de ring aan de zijkant konden vastpakken voordat deze weer verdween. De ring zou vervolgens aan de plaatselijke kerk zijn gegeven.
Het vliegtuigwrak op zwart zand
We reden door naar het Sólheimasandur-vliegtuigwrak op het zwarte zandstrand. Vanaf de parkeerplaats brengt een bus met absurd grote banden je naar het wrak. Het is bizar om te zien wat ervan over is, en even bizar hoeveel mensen het nodig vinden hun stempel achter te laten door op het wrak te krassen of tekenen. Ook dat zwarte zandstrand is van een andere wereld; we wandelden erover, om het wrak heen en erin.
Dyrhólaey en de Eldhraun-lavavelden
Vanaf Sólheimasandur reden we naar Dyrhólaey, het zuidelijkste puntje van IJsland. Vroeger was het een eiland, nu niet meer. Door klimaatverandering is de verwachting dat het strand op termijn verdwijnt. We genoten van de ruwe kustlijn en de uitzichten over zee en het groene landschap. Via Vík reden we naar de Eldhraun-lavavelden. We wandelden er een stukje doorheen en voelden voorzichtig: alle laagjes mos boven op elkaar geven een vervreemd, sponzig gevoel — extra surrealistisch zo vlak naast de weg.
De mossige kloof van Fjaðrárgljúfur
Aan het einde van de dag arriveerden we in Kirkjubæjarklaustur. We besloten de volgende ochtend niet meteen door te rijden, maar eerst nog naar Fjaðrárgljúfur te gaan — een kloof van zo’n twee kilometer lang en tot honderd meter diep, uitgesleten door smeltwater aan het einde van de laatste ijstijd. Het is een landschap dat bijna te perfect voelt: zachte, met mos bedekte wanden die in sierlijke bochten langs een smalle rivier naar beneden vallen.
Vanaf verschillende uitkijkplatforms (waar ik niet per se fan van ben) ontvouwt de kloof zich in lagen en lijnen, alsof het landschap zichzelf langzaam prijsgeeft. Het water beneden slingert rustig door het dal en versterkt dat gevoel van beweging, alsof alles hier nog steeds in wording is.
Er heerste een stilte die alleen doorbroken werd door de wind en het water. Pas veel later kwamen we erachter dat Justin Bieber hier een clip heeft opgenomen. Daarna explodeerde de populariteit van de kloof: waar het vóór 2015 nog relatief onbekend was, stroomden er ineens honderdduizenden bezoekers per jaar naartoe. Met mensen die natuurlijk zo nodig buiten de paden moesten liepen en het kwetsbare mos beschadigden. Uiteindelijk werd de canyon zelfs meerdere keren tijdelijk gesloten, onder andere in 2018 en 2019, om de natuur de kans te geven te herstellen.
Wij deelden de plek vooral met de schapen.
Jeroen liet hier de drone op omdat dit gebied nu eens niet midden in een no-fly zone lag, en natuurlijk vooral omdat het er werkelijk prachtig was.
Skaftafell en lopen op een gletsjer
Daarna pakten we de geplande route weer op. Via Austurland reden we naar Skaftafell, waar je na een mooie wandeling een waterval ook van bovenaf kunt bekijken. Aan de andere kant van het gebied ligt een gletsjer. We maakten er nog een wandeling en konden onze ogen niet geloven: over het ijs lopen tot aan de voet van de gletsjer. Inmiddels was het stralend weer, dus we liepen in de zon door dit landschap.
Het gletsjermeer Jökulsárlón
We reden door naar Hundafoss, een wat verstoptere maar minstens zo mooie waterval. Hier sta je bovenop en zie je het water vlakbij naar beneden storten. Via Svartifoss kwamen we bij Jökulsárlón: een enorm gletsjermeer tussen twee nationale parken in. Op het meer drijven ijsschotsen rond, en mensen kanoën ertussendoor. We zagen zelfs een zeehond tussen de ijsschotsen en de bootjes door zwemmen.
Eigen koers via Möðrudalur
We sliepen in Breiðdalsvík, waar we volgens de planning twee nachten zouden blijven. We snapten daar zelf weinig van: er was aanzienlijk minder te doen, alle winkels en restaurants waren dicht en wij wilden veel liever meer van het land zien. We besloten de volgende ochtend door te rijden en zelf een extra stop te plannen: Möðrudalur, een boerennederzetting waar de gebouwtjes wel iets weg hebben van hobbithuisjes. Terwijl we daar in de zon zaten, zagen we plotseling twee vosjes. Het bleken nieuwsgierige babyvossen die door de eigenaren werden bijgevoerd.
Dettifoss en walvissen kijken in Húsavík
Daarna door naar Dettifoss: 44 meter hoog en 100 meter breed, een van de krachtigste watervallen van Europa. We sliepen in Hotel Skúlagarður — middle of nowhere, maar dichtbij Húsavík, waar we de volgende dag walvissen wilden gaan kijken.
Helaas was de zee daar bizar ruw. Dat zorgde voor een hele belevenis in onze felle oranje regenjassen, maar ook voor walvissen die we alleen op grote afstand zagen. Eigenlijk herkenden we ze pas aan de staartvin op het moment dat ze dook. Jammer.
Mývatn en Goðafoss
We reden door naar Mývatn, een groot meer in vulkanisch gebied. Overal zijn kleine geisers, dus het is er aangenaam warm. Een prachtig ruw landschap. Om de dag af te sluiten bezochten we Goðafoss — ja, alweer een waterval. Een van de grootste van IJsland, en hoewel het inmiddels niet onze eerste was, blijft het indrukwekkend.
Akureyri: walvissen én noorderlicht
Aan het einde van de dag arriveerden we in Akureyri. Het was zulk mooi weer dat de jassen uit konden. We sliepen boven een café in een drukkere straat — even schakelen na alle rust en stilte, maar de zon maakte veel goed. We wandelden naar de haven, want wie weet kon daar nog een walvistocht bij. En inderdaad: er was nog plek voor het einde van de dag. Terwijl we boekten zagen we dat hetzelfde bedrijf ook noorderlichttochten organiseerde. De medewerker belde meteen de gids, die zei dat er onverwacht een kans was dat we het zouden zien. Met zoveel mazzel met het weer en de walvistocht besloten we ook deze gok te wagen. Spannend.
We dronken nog een drankje en stapten toen aan boord. Al snel zagen we in de baai een walvispaar samen zwemmen — we volgden ze een tijdje, met de zon op ons gezicht. Terug bij het hotel haalden we eten bij een foodtruck. We legden onze spullen neer en merkten meteen dat de kamer behoorlijk gehorig was. Niet erg: we werden zo opgehaald.
Het noorderlicht danst
We wandelden naar een donker straatje waar de bus stond. Onderweg meende ik in de verte al noorderlicht te zien. Wishful thinking, waarschijnlijk. Maar we hielden hoop.
We moesten nog een flink stuk rijden en sloegen op een gegeven moment van de hoofdweg af, allerlei landweggetjes op, met zo min mogelijk omgevingslicht. Na een hele tijd stopte het busje en mochten we uitstappen. Ik stapte rechts uit, keek naar links en zag meteen iets waar ik even niets van begreep: groen noorderlicht dat zich in lange, sierlijke slingers door de lucht bewoog. Adembenemend. Ontzettend lastig om vast te leggen, en ontzettend koud, maar wij genoten met volle teugen. Toen we al een tijdje stonden te kijken werden we ook nog getrakteerd op paars en wit licht — en het danste. Een fenomeen dat je niet altijd ziet, maar dat je nooit meer vergeet. Akureyri was ons goedgezind.
Snæfellsnes en een Sigur Rós-knipoog
We reden via Laugarbakki naar Laugarholt, waar we IJslandse paarden zagen. Vandaaruit verder naar Straumsfell met uitzicht op een gletsjermeer. Daarna Stykkishólmur, een vissersplaatsje op het schiereiland Snæfellsnes. We wandelden door de haven, kochten souvenirs, dronken koffie en doolden wat door het dorp. We zagen kinderen op een hoppípolla — oftewel een springkussen. Jeroen wist dit, want het is een nummer van zijn favoriete IJslandse band Sigur Rós.
Arnarstapi, Djúpalónssandur en Hraunfossar
De volgende dag reden we via Arnarstapi (waar we langs de kust met hoge rotsen wandelden) naar Djúpalónssandur. Ook hier ligt zwart zand, en dat blijft bijzonder. We daalden af en wandelden over het strand. De rotsen waren hier niet alleen zwart, maar hadden ook een rood-oranje gloed. 's Middags reden we door naar Hraunfossar: over een lengte van 900 meter zie je hier talloze kleine watervalletjes. Het water is ijsblauw en samen met al die stroompjes geeft dat een bijzonder beeld. Vlakbij ligt Barnafossar, waar het water door een nauwe kloof wordt geperst en daardoor met enorm geweld naar beneden stort. We sloten de dag af in Borgarnes, waar we aan het water aten en nog wat rondwandelden.
Reykjavík op een zondag
De laatste dagen waren voor Reykjavík. We baalden er een beetje van dat we juist op een zondag aankwamen — de reisorganisatie had daar wat ons betreft niet handig over nagedacht. Op zondag is in Reykjavík vrijwel alles dicht.
In Reykjavík gingen we eerst naar het centrum. We bekeken de haven met het imposante concertgebouw Harpa, een glazen gebouw dat door de vorm van het glas en de zonnestralen oplichtte in alle kleuren van de regenboog. We wandelden over de boulevard en door de haven, langs sauna's op het water en de aanbieders van walvistochten. Aan het begin van onze reis hadden we erover gedacht hier zo'n tocht te boeken, maar door de ruwe zee waren alle tochten geannuleerd.
We bezochten natuurlijk de Hallgrímskirkja, een imposant bouwwerk van zowel binnen als buiten — een kerk in deze bouwstijl hadden we nog nooit gezien. We wandelden verder, maar zoals gezegd: het meeste was gesloten. In één winkelstraat waren een paar zaken open zodat we wat souvenirs konden meenemen. Tegen het einde van de middag werd het bewolkt en we besloten terug naar het hotel te gaan. We aten in een restaurant bij het hotel en pakten onze koffers in. De volgende ochtend moesten we vroeg de auto inleveren voor onze vlucht naar huis.
Tot ziens, IJsland
IJsland is een land om ooit naar terug te gaan. Jeroen kan niet wachten om het een keer in de winter te fotograferen.